Hier zult U een overzicht van vermaarde Vlamingen kunnen vinden.
Daarbij zijn helden, martelaars, strijders, kunstenaars,wetenschappers en sportmensen opgenomen, met andere woorden, allen die iets voor Vlaanderen betekend hebben of nog betekenen, dus ook mensen die mee Vlaanderen op de wereldkaart gezet hebben of dit nog doen.
Deze pagina is constant onder constructie. Ook zal de pagina mettertijd in rubrieken onderverdeeld worden en zullen er alfabetische zoekmogelijkheden op komen.

Helden, martelaars & strijders




Vlaams nationalist, Dr. in Germaanse filologie,Politicus, martelaar.
Geboren te Beveren Waas(O. Vl.) in 1878
Vooraanstaand lid van de Vlaams nationalistische Frontpartij.
In 1919 ter dood veroordeeld (wordt in levenslang omgezet waarvan hij 10 jaar uitzit). Wordt in 1928 tot volksvertegenwoordiger gekozen doch kan , door het verlies van zijn burgerrechten, zijn mandaat niet opnemen. Blijft voor Vlaanderen vechten en wordt op 12/04/1946,zwaar ziek en strompelend op krukken naar de executiepaal geleid in Etterbeek.Kijkend naar de blauwe lucht zegt hij "Wat een dag om te sterven voor Vlaanderen". Hij moet aan de executiepaal vastgebonden worden omdat hij uit eigen kracht niet meer op zijn benen kan staan. Hij weigert een blinddoek en roept nog voor de kogels afgevuurd worden "Dietsland Houzee".

Karel Dillen werd geboren te Antwerpen op 16/10/1925 in een eenvoudig arbeidersgezin. Van jongs af aan Vlaamsgezind (Enkele Vlaamsnationalistische leraren aan het Koninklijk Atheneum van Antwerpen, waar hij in 1943 afstudeerde, hadden hun stempel op hem gedrukt) was hij tijdens de oorlog van geen enkele organisatie lid. Daardoor heeft hij ook onder de repressie niet hoeven te lijden, zoals met verscheidene van zijn gewezen schoolmakkers het geval was. In 1947 begon zijn carriere toen hij toetrad tot het St. Arnoutsvendel, een Vlaamsnationalistische jeugdbeweging van Wim De Roy. Daar was hij vooral voor de ideologische vorming verantwoordelijk. Hij werkte ook mee in de redactie van 'Opstanding', de officieuze spreekbuis van de 'Vlaamse concentratie' en publiceerde regelmatig artikelen. Eind 1949, begin 1950 was Dillen medeoprichter, samen met Herman Senaeve en Toon Van Overstraeten, van een radicaal Groot-Nederlands jongerengroepje: de Jong Nederlandse Gemeenschap (JNG). De JNG ging manifesteren op de IJzerbedevaart en het Vlaams Nationaal Zangfeest, die volgens hen te veel ingepalmd werden door de CVP. Het JNG richtte in mei 1956 het tijdschrift Dietsland Europa op. Dillen werd hoofdredacteur. Tot de jaren '70 bleef het zijn voornaamste spreekbuis. In het begin van de jaren zestig was Dillen voorzitter van Were di, een elitair-radicale, Groot-Nederlandse, antikapitalistische, anticommunistische en anti-Belgische groep. In 1968 versmolt deze groep met Dietsland Europa. In 1975 nam Dillen ontslag uit Were di. Vanaf 1975 werd hij de eerste hoofdredacteur van het pas opgerichte Ter Waarheid dat werd uitgegeven tot 1979. Het werd een blad met hetzelfde gedachtegoed als Were di. Vanaf 1965 werd hij een belangrijk medewerker aan het Antwerpse satirische weekblad 't Pallieterke. Bij de verkiezingen van 1954 werd de Christelijke Vlaamse Volksunie opgericht, en na zijn uiteenvallen de latere Volksunie. Karel Dillen was bij beide niet betrokken, doch sympathiseerde wel met de Volksunie. Pas in 1957 zou hij er lid van worden en hij werd op 1 juli voorzitter van de nieuw opgerichte Volksunie Jongeren (VUJO). In de jaren '60 boekte de Volksunie de ene overwinning na de andere. Dit leidde tot een streven naar pragmatisme. Bovendien voerde de partij een steeds progressievere koers. Dillen was hier radicaal tegen en nam in 1971 ontslag uit de partij. Tot zijn tegenstrevers binnen de partij behoren vooral Hugo Schiltz, Nelly Maes, André de Beul en Maurits Coppieters. Tot zijn voornaamste medestanders behoorden Leo Wouters, Hector Goemans, Rudi van der Paal, Bob Maes, Walter Peeters en Mia Dujardin (de meesten van Were di-strekking). Op 1 oktober 1977, terwijl hij politiek dakloos was richtte Dillen de Vlaams Nationale Partij (VNP) op, dit uit onvrede met de mede-ondertekening, op 24 mei 1977, door de Volksunie, van het Egmontpact. De VNP werd in 1978 het Vlaams Blok, waar Karel Dillen als enige verkozen wordt. Hij wordt in 1987 door Gerolf Annemans opgevolgd en in datzelfde jaar tot senator verkozen. In 1989 werd hij Europees parlementslid. Op 8 juni 1996 wordt Karel Dillen als voorzitter van het Vlaams Blok door Frank Vanhecke opgevolgd, en bij de verandering naar het Vlaams Belang krijgt hij als eerste zijn lidkaart en behoudt hij zijn functie als erevoorzitter. Op 18 juni 2003 nam hij om gezondheidsredenen uit het Europees parlement ontslag. Op 27 april 2007 overleed hij te 's Gravenwezel bij zijn dochter Marijke. Karel Dillen was vooral een radicaal en rechtlijnig politicus, die nooit van zijn principes heeft afgeweken. Hij was tevens een belezen man en heeft ook verscheidene publicaties op zijn naam staan. Alhoewel hij in de pers steeds als een norse man voorgespiegeld werd, verstond hij heel goed de kunst humoristisch te zijn. Van zijn hand verschenen de volgende werken:
Boeken :
  • Antwerpen … Groenplaats 9. (samensteller) (1959)
  • Wim Maes. (1970)
  • Wij, marginalen. (1987)
  • Europese gedichten : bijeengebracht en ingeleid. (1991)
  • Vlaanderen in Straatsburg. Deel 1. (1991)
  • Vlaanderen in Straatsburg. Deel 2. (1992)
  • Vlaams Blok, partij van en voor de toekomst. (1992)
  • Voor U geschreven. 21 brieven aan een jonge Europeaan. (1993)
  • Mijn Schilt ende betrouwen Sijt ghy, o Godt mijn Heer. (2001)
Vertalingen :
  • Neurenberg, het beloofde land. - M. Bardèche (1951)
  • Apartheid. Een uitdaging - een oplossing ? - J.E. Holloway (1966)

<Boven>

Irma Laplasse werd op 9/2/1904 in Schore geboren als Irma Swertvaegher. In 1924 huwde ze met Henri Laplasse, ze baatten samen een hoeve uit in Oostduinkerke. Gelet op het politieke klimaat van die tijden werd Henri Laplasse lid van het Vlaamsch Nationaal verbond (VNV). Hun kinderen Fred en Angèle waren ook lid van toenmalige bewegingen (Fabriekswacht en Dietsche Meisjesscharen respectievelijk), terwijl moeder Irma van geen enkele organisatie lid was. Naar verluidt zou Irma Laplasse de dood van zeven verzetslieden op haar geweten hebben. Die werden gedood toen Duitse soldaten haar zoon, die gevangen genomen was door de Witte Brigade, probeerden te bevrijden. Als resultaat van de Belgische creativiteit tijdens de repressie werd Irma Laplasse daarvoor op 21/12/1944 door de Krijgsraad van Brugge ter dood veroordeeld voor verraad en verklikking. Op 10/2/1945 bevstigde het Krijgshof van Gent de doodstraf en Irma Laplasse werd op 30/5/1945 in Brugge terechtgesteld. Zoals bijna alle repressieslachtoffers was Irma Laplasse het slachtoffer van een onrechtvaardige repressieuitspraak. De uitgave van haar gevangenisdagboek in 1947 en de heruitgave ervan in 1970 met erbij een studie van de historicus Karel van Isacker zorgden ervoor dat de rechtvaardigheid van haar proces weer in vraag werd gesteld. Na jarenlange politieke druk werd Irma Laplasse's proces herzien. Op 14/2/1996 werd Irma Laplasse wegens verraad en verklikking tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. Een vrijspraak verlenen zou immers geleid hebben tot het feit dat meerdere repressieprocessen zouden moeten herzien worden. Tevens zou het er ook de overheid toe gedwongen hebben te bekennen dat de repressie verkeerd en onrechtvaardig was. Ze vreesden ook dat dit de poort zou openzetten tot amnestieverlening aan de repressieslachtoffers. Irma Laplasse was net zoals velen een voorbeeld van iemand die door de misdaad van Vlaming te zijn door de Belgische staat werd vermoord.
<Boven>

(Noot: Deze figuur zou ook in de rubriek "Kunstenaars" passen, doch zijn aandeel in de Vlaamse zaak was nog veel groter dan zijn voortgebrachte werken).
Albrecht Rodenbach werd op 27/10/1856 in een bourgeoisgezin geboren in Roeselare uit een Waalse moeder en een uit Duitsland ingeweken vader. Rodenbach deed zijn eerste Vlaamsnationalistische gevoelens op door zijn vader en zijn oom. Rodenbach studeerde aan het Klein Seminarie in Roeselare waar hij in contact kwam met de ideeën van de Vlaamse literatuurbeweging door Hugo Verriest en anderen. Gedurende die tijd was Rodenbach ook beinvloed door Guido Gezelle. In het schooljaar 1874-1875 leidde dit tot een conflict tussen de Vlaamse studenten en de francofiele schooldirecteur.
Op het jaarlijkse zangfeest werden traditioneel Franse liederen gezongen. Rodenbach leidde het protest en de (overwegend Nederlandssprekende) studenten zongen een protestlied in het Nederlands. Dit protest leidde tot gelijkaardige akties over heel het land.
Aan de Leuvense universiteit ontmoette hij dichter Pol De Mont. Samen stichtten ze de Algemene Vlaamse Studentenbond in 1876, met het doel een Vlaamse artisktieke heropleving en gelijke rechten voor Vlaamse studenten te promoveren. Een paar van hun doeleinden waren het bekomen van lessen in het Nederlands en de opname van de Vlaamse cultuur in het lessenpakket. Ze noemden hun studentenbeweging ook de 'Blauwvoeterie' (genaamd naar de blauwvoet). In 1876 publiceerde Rodenbach enkele geschriften onder het pseudoniem "Harold". Zijn boek "Eerste gedichten" werd in 1878 gepubliceerd. Zijn dichtspel "Gudrun" werd pas na zijn dood uitgebracht. Hij was ook de inspiratie voor Hendrik Conscience's roman 'Kerels van Vlaanderen'.
Rodenbach stierf aan tuberculose op 23/6/1880 te Roeselare, amper 23 jaar oud.
<Boven>


Dom Modest van Assche werd geboren als Alfons van Assche te Erembodegem op 18/5/1891. Hij was een Vlaams Benedictijn en abt van de Sint-Pietersabdij van Steenbrugge te Assebroek. In 1903 trad hij in als novice in de Sint-Pietersabdij van Steenbrugge en ontving als kloosternaam Dom Modestus. Hij legde zijn plechtige geloften af in 1910 en werd te Brugge in 1913 tot priester gewijd. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog trok hij naar Engeland en was er een tijd lang leraar bij de Belgische vluchtelingen. Daarna was hij actief als brancardier en aalmoezenier in het Belgisch leger. Na de oorlog ging hij terug naar zijn abdij. Tijdens het interbellum was hij actief in de Liturgische, de Vlaamse en de Vredesbeweging. Hij had goede contacten met andere Vlaamsgezinde geestelijken en was bevriend met professor Frans Daels van het IJzerbedevaartcomité. Bij de inwijding van de IJzertoren in 1930 sprak hij de menigte toe. Dit leidde tot misnoegdheid bij de Kerk en hij kreeg verbod om ooit nog op de Ijzerbedevaart toespraken te houden. In 1932 werd hij tot abt verkozen in de abdij van Steenbrugge. Hij koos als devies In viam pacis, “Op weg naar de vrede”. Toen in 1941 een trein met uit krijgsgevangenschap terugkerende Vlaamse soldaten in Duitsland verongelukte trok de abt er naartoe en droeg er een mis op. Kort na de bevrijding werd hij aangehouden en opgesloten in de gevangenis van Brugge. Hij werd ervan beschuldigd een verzetsman verklikt te hebben die wapens en munitie in de abdij had verstopt, alsook twee broeders die hiervan op de hoogte waren. Na bemiddeling van minister Herman Vos kwam de abt weer vrij. Een maand later werd hij opnieuw geïnterneerd, ten gevolge van een omstreden getuigenis van de SD-medewerker, Gerhard Kling,een Duitse SS-er die door zijn oversten gestraft was voor chantage en afpersing. Behalve in de gevangenis van Brugge verbleef Modest Van Assche ook enkele maanden in de gevangenis van Vorst bij Brussel. De reeds zwaar depressieve abt werd er geestelijk en lichamelijk mishandeld en gefolterd. Uiteindelijk bezweek Dom Modest op 30/10/1945 in het Sint-Janshospitaal te Brugge aan de gevolgen van zijn gevangenschap. In 1961 werd een monument ter zijner nagedachtenis opgericht in zijn geboorteplaats Erembodegem. Er werd ook een straat naar hem genoemd.
<Boven>

Priester, leraar, dichter, schrijver.
Geboren te Ardooie (W. Vl.) op 30/4/1874.
Zijn vlaamsgezindheid verspreidt hij onder zijn leerlingen, als parochiepriester steunt hij de soldaten van de radikale frontbeweging.
Verleent zijn steun aan de Oostfronters, verkrijgt eredoctoraten aan de universiteiten van Jena en Keulen, en wint de Rembrandtprijs aan de universiteit van Hamburg.
In 1944 vlucht hij naar Duitsland en wordt op 11/12/1946 bij verstek ter dood veroordeeld door de Krijgsraad van Brugge (lees : de Belgische staat). Sterft op 8/11/1949 te Solbad Hall in Oostenrijk.
In 1973 gaat een VMO commando tijdens "Operatie brevier" zijn stoffelijk overschot in Oostenrijk opgraven en begraven ze hem met eer waar hij thuishoort : In Vlaamse grond.
<Boven>

Leo Vindevogel werd op 14 december 1888 geboren te Petegem, een dorp in het arrondissement Oudenaarde, In 1907 kwam hij naar de taalgrensstad Ronse, waar hij onderwijzer werd aan de vrije katholieke school. Hij was er een der stichters van de Christen Volksbond en trad toe tot de Katholieke Partij. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog meldde hij zich als oorlogsvrijwilliger. ln 1921 werd hij gemeente­ raadslid en schepen van Onderwijs te Ronse en in 1925 katholiek volksvertegenwoordiger voor het arrondissement Oudenaarde. In 1926 stichtte hij de 'Katholieke Vlaamsche Volkspartij', die bij de verkiezingen van 1929 een lijst indiende, gekoppeld aan die van de Vlaams-nationalisten in Oost-Vlaanderen. Vindevogel werd opnieuw verkozen. In 1932, 1936 en 1939 werd hij, opnieuw als kandidaat op de lijst van de Katholieke Partij, eveneens naar de Kamer gezonden. Daar bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog de socialistische burgemeester en minister Eugène Soudan het land verlaten had, werd Vindevogel op 2 januari 1941 tot burgemeester benoemd. Bij de bevrijding gearresteerd, werd hij op 9 maart 1945 veroordeeld tot levenslange opsluiting. Hij ging echter in beroep en kreeg op 30 april 1945 de doodstraf. Op 25 september 1945 werd hij te Gent terechtgesteld.

Te Ronse was Vindevogel een van de stichters van de Christen Volks­bond, de organisatie die niet alleen de rechten van de arbeiders -hoofd­zakelijk werkzaam in de textielindustrie -verdedigde, maar weldra ook het voornaamste bolwerk van Vlaamse strijd in de Vlaamse Ardennen zou worden. Hij trad er ook toe tot de Katholieke Partij, te Ronse beheerst door het machtige Fransgezinde patronaat, en werd de woord­voerder van de arbeiders en de vlaamsgezinden. Toen reeds bracht dit spanningen teweeg en werden er pogingen ondernomen om de groeien­de macht en populariteit van Vindevogel te ondermijnen. Als oorlogsvrijwilliger werd Vindevogel geconfronteerd met de behandeling van de Vlaamse frontsoldaten, waardoor zijn Vlaamse overtuiging steeds radicaler werd. Hij schreef brieven naar Frans van Cauwelaert, waarin hij de misstanden aanklaagde; enkele van deze brieven werden onderschept en waren aanleiding tot een onderzoek. Vindevogel werd licht gestraft. Andere brieven, ondertekend met V.R., die aan het front doorgegeven werden en aanvankelijk aan de gebroe­ders Van Raemdonck werden toegeschreven, waren van zijn hand en werden tijdens naoorlogse verkiezingen gebruikt om stemming te ma­ken. Vindevogel keerde uit de oorlog terug met alle frontstrepen en verscheidene onderscheidingen, maar ook met een Vlaams-nationale overtuiging die hij nooit prijs zou geven. Door de delicate positie van de Vlamingen aan de taalgrens was hij echter soms verplicht akkoorden af te sluiten, die niet altijd werden geaccepteerd door de extremistische Vlamingen, zodat de vlaamsgezinden van het arrondissement Ouden­aarde tussen de twee wereldoorlogen wel eens verdeeld de verkiezingen tegemoet gingen.

In 1921 werd Vindevogel als gemeenteraadslid op de katholieke lijst verkozen en de macht van de Christen Volksbond was reeds zo groot dat het schepenambt van Onderwijs, een sleutelpositie, kon worden opgeëist. Als schepen van Onderwijs heeft Vindevogel voortreffelijk werk verricht en slaagde hij erin, niettegenstaande tegenkanting in de eigen partij en sabotage vanwege schooldirecties, de verfransing via het onderwijs in te dijken. Deze beginselvaste politiek, waarin geen enkele concessie werd gedaan, deed de spanningen tussen flaminganten en franskiljons toenemen. Toen reeds was Vindevogel voor een gedeelte van de Franstaligen te Ronse de vijand die te allen prijze geëlimineerd diende te worden.

Datzelfde jaar 1921 werden ook wetgevende verkiezingen gehouden. Vindevogel was kandidaat voor de Kamer geweest, evenwel op een onverkiesbare plaats, maar hij was eerste plaatsvervanger. Bij de wetgevende verkiezingen van 1925 was hij als tweede op de katholieke lijst de concurrent van de kandidaat der Franstaligen, die de eerste plaats innam: er was overeengekomen dat de kandidaat met het grootst aantal naamstemmen naar het Parlement zou gaan. Vindevogel haalde het, de verkozene Iveyns d'Eeckhoute nam ontslag en Vindevogel vertegenwoordigde het arrondissement Oudenaarde in de Kamer, wat hij tot in 1945 ononderbroken zou blijven doen. De verkiezingen van 1925, die de deemstering van het franskiljonisme inluidden, betekenden ook de breuk in de Katholieke Partij. De invloed van de Franstaligen zou steeds meer aangetast worden, maar de aan­vallen op Vindevogel verminderden er niet om. De Christen Volksbond voerde, sinds de stichting van de 'Katholieke Vlaamsche Volkspartij' in 1926 te Ronse, als katholieke radicaal-Vlaamse organisatie, een onaf­hankelijke koers. Voor de wetgevende verkiezingen van 1929 koppelde Vindevogel zijn 'Katholieke Vlaamsche Volkspartij' aan de lijst van de Vlaams-nationalisten in Oost-Vlaanderen. Hij versloeg de kandidaat van de officiële Katholieke Partij, Albert de Vleeschauwer, die later nog minister zou worden.

Het verbond met de Vlaams-nationalisten werd in 1932 verbroken en voor de verkiezingen werd Vindevogel kandidaat op de lijst van de Katholieke Partij, waarin de franskiljonse invloed nu totaal geweerd was. In 1936 was er een plotselinge opflakkering bij de Franstalige katholieken, die zich achter de Rex-beweging schaarden en erin slaag­den hun kandidaat naar het Parlement te sturen, ten koste van de so­cialistische minister Soudan. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bleef Vindevogel te Ronse. De gouverneur van Oost-Vlaanderen verzocht hem het ambt van burgemeester uit te oefenen, wat hij na enige aarzeling aanvaardde. Op 21 januari 1941 werd hij benoemd. Men geeft nu toe dat hij onpartijdig heeft bestuurd, alleen bezorgd om de bevolking zoveel mogelijk te helpen en zoveel mogelijk leed te besparen. In het plaat­selijke weekblad Het Volk van Ronse schreef hij, zoals voorheen, de politieke artikelen en dat met een vrijmoedigheid, die de Duitse censuur niet steeds aanvaarden kon. Door zijn vroegere tegenstrevers werd alles wat hij deed tendentieus geïnterpreteerd en in sluikblaadjes werden de gemeenste aantijgingen tegen hem uitgebracht. Een bomaanslag, waarbij zijn woning zwaar werd geteisterd, en een moordpoging, waar­aan hij ternauwernood ontsnapte, waren gevolgen van deze hetze. In 1944, niettegenstaande het aandringen van vrienden, weigerde Vindevogel te vluchten of onder te duiken. Hij wilde zijn beleid als burge­meester en zijn politieke houding verantwoorden en was ervan over­tuigd dat men hem niets ten laste kon leggen.

Het geding tegen Vindevogel, voor de Krijgsraad op 9 maart 1945 en voor het Krijgshof op 30 april 1945, had niets te maken met een serene rechtspraak en geldt als een van de partijdigste processen, die tijdens de repressie werden gevoerd. Voor de Krijgsraad tot levenslange opslui­ting veroordeeld, werd het vonnis door het Krijgshof in doodstraf om­gezet. Enkele parlementsleden, zeven in totaal, hebben een verzoek om genadeverlening ondertekend, dat door de prins-regent werd afge­wezen.

Op 25 september 1945 werd Leo Vindevogel terechtgesteld in de gevangenis van Gent, waar zijn vrouw en zijn kinderen opgesloten waren. Er werd niet ingegaan op zijn verzoek om zijn familie naar een andere gevangenis over te brengen. Dat zijn tegenstrevers te Ronse, onder wie sommigen met leugenachtige getuigenissen bijgedragen hadden tot de doodstraf, opgekomen waren om het spektakel bij te wonen en hem in zijn laatste ogenblikken scheldwoorden toestuurden, tekent de mentaliteit. In zijn politieke loopbaan heeft Vindevogel altijd een onafhankelijke houding aangenomen, wat zijn invloed binnen de partij zeker niet ten goede kwam. Toch is zijn invloed op het nationale vlak groter geweest dan toegegeven wordt. Staande tussen fracties, tussen partijen, kon hij bij bepaalde gelegenheden de hoeken afronden en een samenwerking in een of andere aangelegenheid op gang brengen.

Hij was echter in de allereerste plaats de plaatselijke politicus in de beste zin van het woord: de vertegenwoordiger van zijn arrondissement en de werker in eigen streek. Weinige politici hebben zulk een innig contact met de basis en met de bewoners gehad als hij. In een stad als Ronse, die door het franskiljonisme werd beheerst, in het zo bedreigde gebied aan de taalgrens is die politiek tenslotte lonend gebleken. De extremistische Vlaming, de Vlaams-nationalist, die hij ontegensprekelijk was, kende zijn mogelijkheden. Zijn radicale Vlaam­se politiek was naar buiten uit dan toch voldoende genuanceerd, zodat ook minder radicale Vlamingen hem konden volgen. Als Ronse geleidelijk een Vlaamse stad is geworden en na de oorlog een Vlaamse stad is gebleven, dan is dat in hoofdzaak aan Vindevogel en aan zijn organisatie te danken.

<Boven>

Kunstenaars


Geboren te Harelbeke op 17/8/1834. Benoit studeerde vanaf 1851 compositie aan het conservatorium in Brussel bij François-Joseph Fétis. In de vakken harmonieleer en compositie haalde hij het diploma in 1854 met een 1e prijs. Eveneens een 1e prijs kreeg hij in de befaamde wedstrijd Prix de Rome voor zijn cantate Le Meurtre d'Abel. In het jaar 1858 was hij in Duitsland waar hij Keulen, Bonn, Leipzig, Dresden, Berlijn en München bezocht. In 1861 werd hij dirigent aan het door Jacques Offenbach geleide Théâtre des Bouffes Parisiens. In 1867 werd hij directeur van de Vlaamse muziekschool te Antwerpen die in 1898 tot Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium opgewaardeerd werd. De muziekschool in zijn geboortedorp Harelbeke werd naar hem genoemd. Jan Blockx was een van zijn leerlingen en zijn opvolger als directeur van het conservatorium. In navolging van Wagner creëerde Peter Benoit een muziekkunst die de eigen Vlaamse volksaard ten volle uitdrukte. Om zijn ideeën tegen het Belgische muziekestablishment te verdedigen, schreef Benoit als een van de eersten binnen de Europese beweging van het muzieknationalisme doorwrochte essays en polemieken. Het gebruik van de moedertaal in de muziekopvoeding beschouwde hij als essentieel. En omdat hij ervan overtuigd was dat de volksaard het zuiverst bewaard blijft in het volkslied, wilde hij zijn nieuwe Vlaamse muziek daarop grondvesten. Hij pleitte onder andere voor een vernederlandsing van het muziekonderwijs, voor religieuze muziek in de volkstaal, voor een Vlaamse Opera en een Vlaams festival, voor Vlaams muziektheater in kleine steden en voor culturele samenwerking met Nederland. Op 8/3/1901 overleed hij te Antwerpen.
<Boven>

Geboren te Brugge op 1/5/1830. Tegenwoordig is zijn geboortehuis in de Brugse Rolweg een "Gezellemuseum". Zijn moeder Monica Devriese was een eerder schuchtere en zeer godvruchtige boerendochter terwijl Guido's vader Pieter-Jan, een levenslustige en volkse kerel, als tuinier heel goed met de natuur vertrouwd was, een gave die in de werken van Guido Gezelle ook duidelijk naar voor zou komen. Na zijn schooltijd in zijn geboortestad ging Guido in 1846 zijn middelbare studies voltooien aan het Klein Seminarie in Roeselare. Verder studeerde hij tot 1854 aan het Groot Seminarie te Brugge. Nog voor zijn priesterwijding ging hij weer naar het Klein Seminarie van Roeselare, dit keer als leraar. Al vlug kwamen daar zijn grote dichtersgaven naar voor. In 1858 verschenen zijn bundels "Kerkhofblommen" en "Vlaemsche Dichtoefeningen". Die had hij speciaal voor de Roeselaarse studenten geschreven. De jonge leraar trachtte op een voor die tijd tamelijk onconvenionele wijze een religieus (katholiek) en Vlaams idealisme te wekken bij zijn leerlingen (o.a. Hugo en Gustaaf Verriest, Eugeen van Oye), voor wie hij een merkwaardig oorspronkelijke nieuwe poëzie schiep in een gewestelijke Westvlaamse schrijftaal: een spontaan en enthousiast ritmisch spel van woorden en beelden. In 1862 - als hij weer in Brugge is - wordt zijn derde bundel "Gedichten, Gezangen en Gebeden" gepubliceerd. In de jaren 1860-1861 wordt hij eerst mededirecteur van een Engels college in Brugge, en daarna wordt hij professor wijsbegeerte aan het Seminarium Anglo-Belgicum (1861-65). In 1865 werd hij onderpastoor in de Brugse Sint Walburgaparochie. Nu dichtte hij tijdelijk niet meer, doch schreef hij (vooral historische en taalkundige) verhalen voor zijn tijdschrift "Rond den Heerd". Tevens waagde hij zich ook aan politieke journalistiek, eerst "in 't Jaer 30" (1864-70), later "in 't Jaer 70" (1870-72). Dit soort werk zorgde er mee voor dat zijn verblijf in Brugge niet zo gelukkig afliep. Toen werd hij onderpastoor in Kortrijk en bloeide daar weer open. Hij was er graag gezien en maakte er veel vrienden voor wie hij een groot aantal gelegenheidsgedichten schreef. Hij schreef ook weer in de plaatselijke kranten en richtte "Loquela" op, een nieuw tijdschrift waarin taal- en volkskunde weer aan bod kwamen. Ook publiceerde hij een meesterlijke vertaling van Longfellows Hiawatha. Gezelle dichtte weer en produceerde tussen 1880-83 en vanaf 1890 tot aan zijn dood twee bundels met prachtige natuurgedichten, diep religieuze overdenkingen en beschouwingen over leven, dood en eeuwigheid. In 1893 verscheen "Tijdkrans" en in 1897 "Rijmsnoer". Posthuum werden de nagelaten gedichten gepubliceerd in "Laatste Verzen" (1901). Bij het lezen van Gezelle wordt men steeds weer geraakt door het eigen geluid en het unieke karakter van zijn toon en visie. Al heeft hij de invloed van vele dichters ondergaan, toch herkent men steeds onmiddellijk Gezelle's vaste greep op ritme en rijm, het uitgebreid woordpalet waarmee hij zijn onderwerpen schildert, zijn bijzondere opmerkingsgeest, die altijd weer dingen ontdekt waar anderen nauwelijks aandacht aan schenken. Een opmerkelijke uitspraak die de Vlaamse componist Victor Legley ooit deed toen hij tijdens een televisiegesprek gevraagd werd over zijn zin om Guido Gezelle's werk op muziek te zetten was: "De gedichten van Gezelle zijn zo mooi dat ze geen muziek meer nodig hebben". Guido Gezelle overleed te Brugge op 27/11/1899 doch liet zijn volk een schat aan literatuur na.
<Boven>

Wies Moens werd geboren te Sint-Gillis-Dendermonde op 28 januari 1898. Tijdens zijn collegejaren werd hij lid van het Algemeen KatholiekVlaams Studentenverbond (AKVS). Van 1916 tot 1918 studeerde hij Germaanse filologie aan de vernederlandste universiteit te Gent. Wegens zijn activisme (1) werd hij na de oorlog veroordeeld en verbleef hij tot maart 1921 in de gevangenis. Tijdens zijn verblijf in de gevangenis schreef hij de expressionistische (2) dichtbundels "De boodschap" (1920) en "De tocht" (1921) en het pacifistische "Celbrieven" (1920). Na zijn vrijlating vervulde hij zijn dienstplicht. In 1922 huwde hij met Margaretha Tas. In 1931 was hij, samen met o.a. Joris Van Severen, medeoprichter van het Verbond van Dietse Nationaalsolidaristen (Verdinaso). Ondertussen werkte hij mee aan verschillende tijdschriften. Hij breekt met het Verdinaso in 1934 en begint zich van dan af te profileren als invloedrijk theoreticus van het nationalisme in de Nederlanden. Tijdens Wereldoorlog II werd hij directeur van Zender Brussel. Alhoewel hij zich tijdens de oorlog verzette tegen o.a. de anti-Joodse excessen van de Duitsers, werd hij in 1947 bij verstek ter dood veroordeeld. Wies Moens nam de vlucht naar Nederlands Limburg, waar hij leraar Nederlands werd aan het college te Geleen en stichter-directeur van eenvolkshogeschool. De eerste dichtbundels van Wies Moens zijn humanitair-expressionistisch, evoluerend naar een persoonlijke gevoelslyriek (3). Zijn latere bundels zoals "Het vierkant" (1938) en het autobiografische "Het spoor" (1944) zijn een soort verheerlijking van het "ideale" Dietsland (4) zoals de schrijver het zichzelf voorstelde. Omwille van zijn nationalistische ingesteldheid werd en wordt hij vaak verguisd. Men mag echter de dichter en mens Wies Moens niet op dezelfde lijn stellen als de persoon Wies Moens met diens eigen politieke geaardheid. Wies Moens overleed in alle eenzaamheid te Neerbeek op 5 februari 1982.
<Boven>

Hugo Verriest werd geboren te Deerlijk op 25 november 1840, als zoon van koster Petrus Johannes Verriest en Caroline van Ackere. Hij genoot zijn lager onderwijs in het pensionaat van de bekende fabeldichter Pieter Jan Renier en deed zijn humaniora aan het klein seminarie te Roeselare (1853-1859), waar hij Guido Gezelle tot leraar had. Na nog een jaar wijsbegeerte aan hetzelfde instituut (1859-1860), ging Verriest naar het groot seminarie te Brugge. Hij werd er tot priester gewijd (1864) en tot leraar benoemd aan het St.-Lodewijkscollege (1864-1867). Na drie jaar keerde hij naar het Roeselaarse klein seminarie terug en werd er achtereenvolgens leraar van de poësis, surveillant van de oudste internen en leraar van de retorica (1867-1877). Gedurende enkele maanden was hij directeur van een zusterscongregatie te Heule (1877­1878), daarna werd hij principaal van het St.- Vincentiuscollege te leper (1878-1888), pastoor te Wakken (1888-1895) en te Ingooigem (1895-1912). Nadat hij eervol ontslag uit zijn ambt gekregen had, bleef hij, als vriend van Stijn Streuvels, te Inooigem wonen tot aan zijn dood op 27 oktober 1922. Hij was doctor honoris causa van deLeuvense universiteit (1906) en lid van de 'Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde' (1906). Ingooigem richtte voor hem een praalgraf op in 1926 en Deerliik een borstbeeldin 1951.

Verriest behoorde tot een familie, die verscheidene merkwaardige figuren heeft voortgebracht. Zijn broer Adolf (1830-1891), dichter en schepen van Kortrijk, was de eerste advocaat die in die stad in het Nederlands pleitte; zijn broer Gustaaf (1843-1918) werd te Leuven hoogleraar in de geneeskunde en publiceerde essays over taal- en opvoedkunde, naast een studie over Guido Gezelle. Hugo Verriest groeide op in een fijnzinnig milieu, waar kunstliefde gepaard ging met sociale belangstelling voor de arbeidersbevolking en voor de langzame ontwaking van een Vlaams cultuurbewustzijn. Reeds in zijn knapenjaren werd hij aldus ontvankelijk voor opvattingen en idealen, die zijn persoonlijkheid gevormd en zijn levenstaak bepaald hebben. De openheid op de wereld die hem kenmerkte, ging gepaard met een knap ver­stand en een edele inborst, die van hem een verdraagzaam en bemind man zouden maken.

De beslissende jaren van zijn leven begonnen met zijn tweede verblijf te Roeselare, waar hij zich als een uitstekend leraar en opvoeder deed kennen. Tegen de overgeleverde sleur en verstarring in, steunden zijn onderwijs en geestelijke leiding op natuurlijkheid en waarheid. Met dezelfde authenticiteit vatte Verriest zijn priesterlijke taak op. Hij was afkerig van alles wat scheidingen voor gevolg had en verdeeldheid veroorzaakte. Zoals blijkt uit zijn godsdienstige voordrachten, hield hij een christendom voor, dat zich niet van de wereld mocht afzonderen in een krampachtig verweer, maar als een geloofs- en liefdesgemeenschap de mensheid moest bezielen tot een leven, dat harmonisch op God en de medemensen was gericht, zonder uitsluiting van de enen of de anderen. Zo ontwikkelde hij ook in zijn literatuurlessen een esthetica, die haar invloed op de beweging van Van Nu en Straks heeft uitgeoefend en tot vandaag de dag verrassend modern is gebleven.

<Boven>

Hij werd geboren in Roeselare, in de deelgemeente Rumbeke, 1490. Hij studeerde in Parijs bij Jean Mouton, die zelf een volgeling van Josquin Desprez was. Hij trok rond 1515 naar Italië, zoals andere meesters uit de Lage Landen in die periode deden (bijvoorbeeld Orlandus Lassus); eerst naar Rome en dan naar Ferrara. In 1527 werd hij benoemd tot kapelmeester van de San Marco-basiliek in Venetië, wat hij zou blijven tot aan zijn dood in 1562. Hij was één van de meest veelzijdige componisten uit de Renaissance, en vanuit zijn positie in Venetië had hij een grote muzikale invloed in Europa; enkele van zijn leerlingen waren onder meer Costanzo Porta, Andrea en Giovanni Gabrieli, Clement Matot en Cypriano de Rore, die hem zou opvolgen aan de San Marco. Willaert was de grondlegger van de "Venetiaanse school" waartoe ook de Gabrieli's en later Claudio Monteverdi gerekend worden, en die de vroege Barokmuziek sterk beïnvloedde. Van Willaert zijn veel werken bekend, vooral geestelijke (150 motetten; vespers; hymnen en psalmen; acht missen) en daarnaast ook ongeveer 60 Franse chansons, 70 Italiaanse madrigalen en instrumentale composities. De Academie voor Muziek en Woord te Roeselare is naar hem vernoemd.
<Boven>

Wetenschappers


Mercator (Geraard De Cremer, geleerden verlatijnsten hun naam) werd geboren in Rupelmonde op 5/3/1512 en was een beroemd cartograaf. Hij werd in 's Hertogenbosch opgeleid door de befaamde humanist Macropedius en hij studeerde ook aan de universiteit van Leuven.
Ondanks zijn faam als cartograaf was zijn voornaamste bron van inkomen het vervaardigen van wiskundige toestellen.
Samen met twee andere geleerden vervaardigde hij de eerste globe, doch zijn werk bestond grotendeels uit het uitvoeren van een ander vak waarin hij uitblonk: het graveren van koperen platen. In 1537 maakte hij een gedetailleerde kaart van Palestina, in 1538 een wereldkaart en in 1540 één van Vlaanderen.
In1544 werd hij veroordeeld voor ketterij door zijn verre reizen en zijn Protestants geloof. Hij bracht 7 maanden in de gevangenis door.
In 1552 vestigde hij zich in Duisburg waar hij op 2/12/1594 overleed. Tijdens zijn Duitse periode was hij nog heel productief en werd in 1564 hofcartograaf voor Hertog Wilhelm van Cleve en doceerde hij ook wiskunde aan de academie van Duisburg.
<Boven>

Sportlui


Geboren te Oostende op 14/2/1914.
Karel Sys groeide uit van een Oostends volksjongentje tot één van de grootste beroepsboksers ooit. Als beroepsbokser vocht hij 144 kampen, waarvan hij er 117 won (59 op KO), 10 eindigden onbeslist, 1 werd niet toegekend en hij verloor er 16.
De oorlog eiste ook zijn tol op de carriere van Karel Sys, en aangezien het in het naoorlogse België genoeg was Vlaming te zijn en er een gemakkelijke methode bestond om iemand te kraken, moest Karel tengevolge van de repressie naar Argentinië uitwijken.
Hij was dan ook van 1945 tot 1948 inactief als bokser.
Hij overleed in Buenos Aires op 19/06/1990.
Zijn palmares:
  • 1936: Belgisch kampioen bij de halfzwaargewichten
  • 1941: Belgisch kampoen bij de zwaargewichten, na een overwinning op Gustave Roth (2 juli 1941, Brussel)
  • 1943: Europees kampioen bij de zwaargewichten (EBU), na een overwinning op Olle Tandberg (14 november 1943, Brussel)
  • 1951: Onbeslist tegen de wereldbekende Archie Moore (23 juni 1951, Buenos Aires)
  • 1952: Europees kampioen bij de zwaargewichtn (EBU), na een overwinning op Hein Ten Hoff (12 januari 1952, Brussel)

<Boven>