Historisch doch leerrijk.

Hier een interessant artikel, overgenomen met vriendelijke toestemming van Nikolay Holthoff (Vlaams Belang Beernem).
De transfers
In onze 6de aflevering naar 11 juli toe ontkrachten we nog een mythe, met name de Tranfers van zuid naar noord, al zou het rijke Wallonië volgens de linkerzijde in het politiek spectrum ooit Vlaanderen hebben onderhouden. Ik meen mij de discussies in de lessen Aardrijkskunde en geschiedenis in het ASO te herinneren waarin leraars meestal met partijkaarten van rode en groene signatuur dergelijke onzin verkochten, er werd meestal ook geschermd met het zoveelste Waalse ‘Marshall’ plan!
De feiten: bij het ontstaan van België werden er 5 soorten belastingen gevorderd: wanneer men immers genoeg belasting (Cijns) kon betalen mocht men stemmen. Iet wat voornamelijk weggelegd werd voor de Franstalige elite. Zoals in de middeleeuwen werd ‘s lands bestuur door maximaal 10% van de inwoners verkozen!
1) Onroerendgoedbelasting
Onroerendgoedbelasting wordt geheven op landeigendom en is de belangrijkste belasting voor het berekenen van de cijns. In 1873 verhoogt de katholieke regering de onroerendgoedbelasting zodat meer landbouwers, die overwegend katholiek stemmen, voldoen aan de cijnsvoorwaarde. In 1878 slaat de toenmalige liberale regering terug: personen die gratis een huis betrekken worden vrijgesteld van onroerendgoedbelasting. Niet toevallig verliezen hierdoor ongeveer 1.500 pastoors hun stemrecht.
2) Personenbelasting: deze hakte het diepst in op de rurale bevolking van Vlaanderen: De personenbelasting is eigenlijk een belasting op uiterlijke tekenen van rijkdom, dus op het kapitaal dat vermoed wordt te bestaan aan de hand van bepaalde uiterlijke kentekenen. De grote lijnen van deze belasting blijven bestaan tot 1914.
De personenbelasting kende immers zes heffingsgrondslagen:
de huurwaarde van woningen,
de deuren en vensters,
de haardvuren,
de inboedel,
de bedienden,
de paarden.
De huurwaarde van woningen
Deze belasting moet betaald worden door de bewoner van de woning of die nu eigenaar of huurder was!
Verder hadden we nog:
3) patentbelasting
4) mijnenbelasting: deze belasting moet betaald worden door elk individu of elke onderneming die een mijn uitbaat. Ze vervangt voor hen de patentbelasting. De belasting bestaat uit twee delen: een vast deel en een proportioneel deel. Het vaste deel is gebaseerd op de grootte van de mijn en bedraagt 10 frank per vierkante kilometer. Het proportionele deel is het belangrijkste deel van de bijdrage en wordt berekend op het netto jaarlijks product. Vanaf 1823 moet hierop een tarief van 2,5% betaald worden.
5) debietrecht op dranken en tabak: het debietrecht op dranken en tabak is in de 19de eeuw zeer belangrijk voor het bepalen van de kiescijns. Immers, door dit debietrecht halen duizenden herbergiers de drempel voor de kiescijns. In 1870 maken herbergiers ongeveer 12% uit van het totale aantal kiezers! Dit is een doorn in het oog van katholieke politici, die vermoeden dat deze kiesgroep vooral liberaal stemt. In 1871 grijpt de katholieke regering haar kans: ze zet de directe belasting op drankslijterijen om in een accijns op bierconsumptie. Dat is een indirecte belasting die niet meetelt voor de cijns. Daardoor verliest de overgrote meerderheid van de herbergiers haar stemrecht.
De belasting die de gewone man zoal gezegd het diepst trof was de belasting geheven op huisnummers. Vlaanderen was toen een ruraal uitgestrekt landschap waar veel huisnijverheid zoals weven en spinnen plaatvond. De zware industrie was echter geconcentreerd in de Borinage en langs de Maas in de buurt van steenkoolmijnen. Een fabriek zoals bijvoorbeeld Forge de Clabeq betaalde eveneens op huisnummer evenveel belasting als een rijwoning in Vlaanderen. Met andere woorden er werd in 1914 op een reusachtige hoogoven 84,8 frank bedrijfsbelasting betaald, evenveel als op een bakkersoventje in 1819. De fiscus zelf belastte toen zoals reeds gezegd het aantal ramen en deuren en achtervolgde straatventers, de marktkramers en de scharenslijpers.
Industriële N.V’s maakten in 1910 al 452 miljoen goudfrank winst en betaalden daar …twee procent belasting op!
Vanaf laten we zeggen 1850 begon Vlaanderen dat eeuwenlang als slagveld werd gebezigd zijn achterstand in te halen, eerst op demografisch vlak; de Fransen noemden ons niet voor niets ‘les lapinières Flamandes’ (Vlaamse konijnenkwekers) in Vlaanderen stond een gezin immers voor Christelijk, Vlaams en Groot. Later begon Vlaanderen, Wallonië ook economisch te overvleugelen vanaf 1950, toen de tijd van de grote gezinnen ook voorgoed verleden tijd was.
Er waren geen transfers van zuid naar noord ook niet in de hoogdagen van de Waalse metallurgie. Anders was ons land al lang gesplitst. In de negentiende eeuw, tussen 1832 en 1912, betaalde een gemiddeld Vlaams gezin 16,7% meer ‘personele’ belasting en 25,4% meer erfenisrechten dan een Waals gezin. Wallonië was toen de derde rijkste regio van de wereld en Vlaanderen lag onder de armoedegrens. Het zuiden van het land zorgde voor zich zelf, een misrekening was echter dat de steenkoolmijnen verlieslatend werden en dat er geen innovatieve processen plaatsvonden in de zware staalindustrie die dus ook doodbloedde.
Bovendien zagen de burgemeesters over de taalgrens dat zij plots burgemeester werden van volledig Vlaamse gemeenten. Onmogelijk!! er moest onmiddellijk een taalgrens worden vastgelegd! De taalgrens zou wettelijk van kracht worden op 1 september 1963. Bij het vastleggen van de taalgrens was het de bedoeling om de provincies zo veel mogelijk eentalig te maken, om tot een administratieve vereenvoudiging te komen. Die ééntaligheid telde uiteraard enkel voor Wallonië, men wilde de ééntalige Franstalige bourgeoisie in Vlaams Brabant, Gent, Antwerpen, Leuven en Tienen niet in de steek laten en er moesten dus in gans Vlaanderen faciliteiten komen.
——————————————————
Hoe de verhoudingen lagen in 1910, zien we als volgt: “De provincie Namen met zijne 360.000 inwoners kreeg 566 kilometer spoorweg.
De provincie Antwerpen met 1.000.000 zielen, 321 kilometer spoorweg.
Namen had 1.216 kilometer steenwegen door den Belgischen Staat aangelegd, Luxemburg 1.175 en Luik 1.127, Oost-Vlaanderen daarentegen 763 en Antwerpen 679″.
“Het arrondissement Aalst had 100.000 inwoners meer dan het arrondissement Dinant, maar toch 15 postontvangerijen minder. West-Vlaanderen met zijn 900.000 inwoners heeft 15 postburelen minder dan de provincie Namen.
Voor het bouwen van arbeiderswoningen kregen 4.500.000 Vlamingen 16.800.000 Belgische frank en 3.000.000 Walen 113.000.000 Belgische frank. Tot het bouwen van arbeiderswoningen werden voorschotten verleend: aan Gent 2.391.031 Belgische frank en aan Charleroi 21.290.947 Belgische frank”.
“In den vorm van landbouwkredieten kreeg het Waalsche Genappe 10.926.000 Belgische frank, Gembloux 3.257.000 Belgische frank, Gent en Brugge, 183.000 en 40.700 frank. Van Antwerpen of Limburg is er geen spraak : die konden zichzelf maar behelpen, als zij het land wilden bewerken”.
“In 1910 had het Waalsch gedeelte van het land 580 gemeenten die een waterleiding hadden. De Vlaamsche provincies hadden slechts 20 gemeenten in totaal een waterleiding.
En zoo liet de Belgische Staat het geld over de Waalsche gouwen vloeien. Voor het uitvoeren van gezondheidswerken, zoals aanleggen of vergrooten van kerkhoven, afvoer van waters, riolen, mestputten, enzovoorts heeft de Staat hulpgelden verstrekt in 1910, 1911, 1912, aan Antwerpen 162.764 frank, aan Oost-Vlaanderen 42.265 frank, aan Namen 637.014 frank en aan Luik 855.590 frank”.
Ook op onderwijsniveau werd er gediscrimineerd: “De provincie Namen heeft 1.513 lagere scholen voor 70.064 kinderen, de provincie Antwerpen 1.256 voor 198.762 kinderen. De provincie Henegouwen heeft 46 nijverheidsscholen, Oost-Vlaanderen 6 en de provincie Antwerpen 4. dan is het ook niet te verwonderen dat er in Vlaanderen tienmaal meer ongeletterde rekruten zijn dan in Luxemburg”.
De discriminatie was zelfs doorgedrongen tot in het pensioenstelsel. “In december 1913 werd aan de Waalse metaal- en mijnwerkers een pensioen toegekend van 360 Belgische frank ‘s jaars op vijftigjarigen ouderdom, onze Vlaamse werklieden en vissers bekomen slechts het ouderdomspensioen van 65 Belgische frank ‘s jaars als ze 65 jaar oud zijn. En zoo komt het dat er in de provincie Namen tweemaal zoveel spaarders zijn als in Limburg, en dat elke inwoner van het arrondissement Virton 276 frank op de Nationale Bank heeft staan, en elke inwoner der provincie Antwerpen er 87 frank heeft”.
Vrij naar een pamflet van – ‘Claudius Severus’ van ‘Den Vlaamschen Landsbond’ en van ‘Vrij & Jong Vlaanderen’, opgesteld door vooraanstaande Vlaamse activisten in 1918 is een verhelderend tijdsdocument . Onder de ondertekenaars bevonden zich heel wat academici zoals Dr. Eugène van Oye, Karel Borms, Dr. Prof. Pieter Tack, Domela Nieuwenhuis Nyegaard en zelfs ene Dr. Prof . Jozue De Decker
Bovenstaande cijfers zijn geen folklore en bevestigen de theorie van Prof. Em. Dr. Juul Hannes in zijn boek ‘De Mythe van de omgekeerde transfers’ dat er nooit sprake is geweest van transfers van Zuid naar Noord: “In totaal werd bijna 12 miljard goudfrank door de overheid geïnd in de periode 1832-1912. Vlaanderen bracht daarvan 44 % op en Wallonië 30,4 %. Het aandeel van Brabant, 25,6 % kan niet zomaar worden opgesplitst in een Vlaamse en een Waals deel”.
Vandaar ook het halsstarrig vasthouden aan het Cordon Sanitaire, links in Vlaanderen haalde doorheen de geschiedenis in Vlaanderen 20%, in Wallonië 80%. In hun zucht immer aan het bewind te blijven (en overladen te worden met geld, titels en ministers van Staat) in minderheidsregeringen, koppelen Vooruit (SPA), Groen, de PVDA en wat rest van de voormalige zuilen hun karretje graag aan onze zuiderburen; die vrezen van hun kant bankroet te gaan zonder Vlaanderen!
Transferoverzicht.
Bron:  Nikolay Holthoff (Vlaams Belang Beernem).
De Webmeester.